Marionne Bakker, kleindochter van Lammert Rokebrand, beschrijft een winterherinnering uit de jaren 60 bij haar grootouders in Blaricum, op William Singerweg 1, in die tijd het meest noordelijke puntje van ons dorp.
Tussen ijsbloemen en grootouderlijke warmte
De winters uit mijn kinderjaren bij mijn grootouders waren tegelijk warm en koud. Warm door de geborgenheid, koud door de seizoenen die toen nog echt hun stempel drukten op het huis. In de huiskamer stond een kleine Etna-kachel, trouw snorrend, en in de keuken een grote potkachel die het hart van het huis vormde. Daar tuften we stiekem op de dekselplaat, zodat het vocht door de warmte in kleine bolletjes veranderde. Aan de keuken grensde de bijkeuken, met een houten luik waardoor je de kolen rechtstreeks uit het kolenhok kon scheppen. Met zwarte handen en rode wangen werd het vuur gevoed. De hele benedenverdieping werd zo behaaglijk warm gestookt; daar voelde de winter als een gast die buiten moest blijven.
>Maar boven was het een ander verhaal.
Wanneer de wind hard om het huis joeg – zo van ’t Harde af – kroop de kou langs kieren en ramen naar binnen. Sneeuw die tegen de ruiten bleef plakken, vormde ook een dikke witte laag op de vensterbank. En al bij een graadje vorst veranderden de ramen in kunstwerken: ijzige bloemen, fijn en kwetsbaar, die even verdwenen als je ertegenaan ademde, om meteen weer terug te keren zodra je ophield. ’s Avonds, voordat het licht werd gedoofd, kreeg je een stenen kruik of een Grolsch-flesje mee naar bed, gevuld met warm water. Het lag aan je voeten als een belofte van warmte in een ijskoude nacht. Maar wee je gebeente als de kruik in de loop van de nacht onder de dekens vandaan was gegleden. In de ochtend bleek het water veranderd in ijs – een stille herinnering aan hoe koud het daarboven werkelijk was.
En toch… juist die kou maakte de warmte beneden, de zorg van mijn grootouders en de kleine winterrituelen onvergetelijk.
Recente reacties