Column Wilma van Maarschalkerweerd
Eind februari. Ik geniet al vroeg van wat de eerste lentedag zal worden. De groencontainers van de halve straat staan geduldig op een rij tegenover mijn keukenraam. Ik twijfel er niet aan dat ze later vandaag leeg huiswaarts gaan. Wat? Ik denk er niet eens over na.
Want onze vuilnismannen en -vrouwen zijn er gewoon, komen langs, doen hun werk, vertrouwd hardplastic gerammel op straat. Je zet de container weer op zijn plek en klaar. Maar toen ging het – begin januari – sneeuwen. Hard sneeuwen. Het land kwam knerpend tot stilstand. Ook de vuilniswagen.
‘Ach, die groene container is bijna leeg en stinkt niet, nu het zo koud is; het plastic in de oranje bak duwen we wel wat verder in elkaar. Met z’n tweetjes krijgen we de grijze container sowieso nooit vol.’ Die mag zolang naar de buren, die met een gezin én een feestje al gauw niet meer weten waar ze het restafval moeten laten. Ons kleine bio-afbreekbare restzakje stoppen we er later wel bij. ‘Oei, de papiercontainer wordt begin februari pas opgehaald. Gaan we dat redden?’ Nieuwsbeelden uit Napels dringen zich op; stakingen van de reinigingsdiensten, bergen vuilnis in de straten, vogels en ongedierte, stank. Totaal misplaatst, ik weet het, het is winter, papier stinkt niet, maar toch.
Als eindelijk op 6 februari de ver-trouwde piepjes klinken waarmee de vuilniswagen zich achteruit ons nauwe straatje in wurmt, haal ik opgelucht adem. Alles weer normaal, daar hecht ik aan. Ik lach om mezelf. Tjongejonge, we zijn ook niks gewend in ons georganiseerde landje. Maar het besef is daar: alle waardering voor de mannen en vrouwen van de reinigingsdienst, op de wagen en achter de schermen! Dank jullie wel en tot volgende week!
Recente reacties